Tussen torens en tijdperken…

De tijd van de Middeleeuwen houdt wel wat meer in dan martelwerktuigen, donkere kerkers en pijnbanken waar je spontaan een hernia van krijgt door er alleen al naar te kijken. Dus in het kader van een stukje kunstgeschiedenis, voor het opdoen van wat extra inspiratie, op naar het Muiderslot in Muiden.

Tussen de dikke stenen muren, smalle trappen, die duidelijk niet zijn gebouwd voor mensen met moderne benen (en een hernia) en schilderijen die al ouder zijn dan ongeveer alles wat ik ken, ontdekte ik dat kunstgeschiedenis niet alleen interessant maar eigenlijk ook best spannend kan zijn. 

Een stukje geschiedenis…

De Hollandse Waterlinies

Het Muiderslot maakt deel uit van een indrukwekkend verdedigingsplan met de lange naam: de Stelling van Amsterdam en de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Je kunt het zien als een soort middeleeuwse “veiligheidsring deluxe” rond Amsterdam, compleet met forten, sluizen en dijken. Alles keurig op zo’n 15 tot 20 kilometer afstand van het stadscentrum, net ver genoeg om ongewenst bezoek alvast vriendelijk te laten weten: “U bent hier niet welkom, draai maar om.”

In oorlogstijd veranderde deze ring in het allerlaatste toevluchtsoord voor de regering en het leger. Een soort VIP-bunker avant la lettre dus, waar men zich terugtrok als het buiten net iets te ongezellig werd. Terwijl de rest van het land in de stress zat, zaten zij daar redelijk droog en strategisch na te denken over de volgende zet, hopelijk mét koffie.

Bron: Unesco De Hollandse Waterlinies.

Oorlog

In 1672 had de Nederlandse Republiek het even flink te pakken: mot van alle kanten. Alsof Duitsland, Engeland en Frankrijk tegelijk dachten: “Kom, we gaan eens gezellig langs bij de Lage Landen.”

Stadhouder Willem III kwam daarom met een nogal, laten we het maar ‘creatieve’ oplossing. In plaats van een groot leger op te trommelen, dacht hij: “Wat als we gewoon… een heel stuk Nederland in een soort gigantisch zwembad veranderen?”

Zo gezegd, zo gedaan: van Muiden tot Noord-Brabant werd het landschap onder water gezet. En zo ontstond de beroemde Hollandse Waterlinie, eigenlijk ‘s Neerlands eerste grote “water als verdedigingsmuur”-hack uit de geschiedenis.

Stadhouder Willem III, portret van Godfried Schalcken. Is het geen spetter?

De boeren echter waren daar iets minder enthousiast over. Terwijl zij nog dachten aan een nette oogst, kregen ze ineens een weiland dat meer weg had van een sloot-met-ambitie. Hun koeien en gewassen deden mee aan een ongewenste duikcursus, zonder duikbril, perslucht en diploma aan het eind.

Toch werkte het plan verrassend goed. De grote steden zoals Amsterdam, Leiden en Den Haag bleven overeind. Al hadden sommige dorpen minder geluk en werden ze alsnog even hardhandig “gereset” door brand en plundering.

Na dit nogal stressvolle jaar besloot men: “Misschien moeten we onze verdediging iets serieuzer aanpakken.” De vestingsteden werden stevig uitgebouwd, alsof ze zich inschreven voor een langdurige verbouwing met militaire beveiliging inbegrepen.

In 1816 maakte de oude waterlinie plaats voor een nieuwe versie, want zelfs verdedigingssystemen krijgen hier een upgrade. En hoewel de oorlogen allang voorbij zijn, kun je vandaag de dag nog steeds resten van die natte strategie terugvinden in het landschap — als stille herinnering aan een tijd waarin Nederland dacht: water is ook gewoon een wapen.

Prachtige gietijzeren maquette van het Muiderslot.

Een tronen- en torentour a la Dame Grandeur de Bourgeoisie…

Buitenaanzicht van een toren.
Een plattegrondje.

Via de grote poort van de loopbrug over het water kom je op het binnenplein en kun je via een houten trap de torenroute in.

De binnenplaats. Hoeveel 16e eeuwse bbq-feestjes zouden hier gehouden zijn?
De trap naar de ingang van de torenroute.

De middeleeuwse stoelgang…

In de middeleeuwen had men nog een zeer “open-minded” kijk op sanitaire voorzieningen. De behoefte werd gedaan in een charmant metselwerkje tegen de buitenmuur van het kasteel: het zogenoemde gemak of privaat.

Een modern spoelsysteem zoals vandaag de dag, was toen nog pure sciencefiction, dus men vertrouwde volledig op de natuur én de slotgracht.

De middeleeuwse riolering zal allicht wel wat snode Duitsers, Engelsen en Fransen op afstand hebben gehouden.

Die gracht had daarmee niet alleen een verdedigende functie, maar ook een minder verheven bijrol als middeleeuwse afvaloplossing. De hedendaagse milieuwetgeving van de oppervlaktewateren zou daar vermoedelijk spontaan van gaan duizelen. Bacteriën kregen zo alle ruimte om een gezellige verspreidingsreis te maken, met als gevolg dat ziektes nooit ver weg waren.

Bij vorst werd het geheel wat pittoresker: de “inhoud” werd netjes toegedekt met een laagje hooi, alsof het om een winterbedje ging in plaats van… nou ja, dat dus.

Het Muiderslot beschikte overigens over negen van deze historische toilet-uiteinden, wat het geheel een opvallend compleet sanitair netwerk van de middeleeuwen maakt.

Het brugwachtersverblijf

Ingang van de brugwachterstoren. De rechte trap in deze kamer bestond vroeger nog niet.

In deze toren woonden noeste bewakers en beschermers van het Muiderslot. Een soort middeleeuwse bodyguards, maar dan zonder zonnebril en oortje. ✔️

Deze kamer in de toren was speciaal voor de brugwachters. Vanaf hier hadden ze perfect zicht op de ophaalbrug, zodat ze meteen konden zien wie er binnenkwam of stiekem probeerde binnen te glippen zonder te betalen, zonder paspoort of fatsoenlijke uitleg.

Uitzicht op de brug

De rechte trap in deze kamer bestond vroeger nog niet. Het verblijf erboven en de muren waren alleen bereikbaar via een smalle wenteltrap helemaal aan de andere kant van de binnenplaats.

Bij een bestorming van de poorttoren konden de wachters zich dus lekker terugtrekken op de muren, waar ze zo lang mogelijk buiten bereik van de vijand bleven. Strategisch heel slim natuurlijk: “Wij zien jullie wel, jullie ons niet, succes ermee!”

Al blijft één ding wel een beetje mysterieus: hoe hield je al dat ongewenste gespuis zonder paspoort eigenlijk buiten de deur als je zelf ook eerst een halve hindernisbaan moest overleven om bij je verdedigingsplek te komen?

De kamer voor de brugwachters.
Het luik in de vloer.

Het luik in de vloer van de brugwachterskamer diende waarschijnlijk als een soort middeleeuwse “multifunctionele opening”, praktisch en een beetje spannend tegelijk.

In veel kastelen werd zo’n luik gebruikt om spullen snel omhoog of omlaag te hijsen met touwen en katrollen. Denk aan eten, voorraden of gereedschap, zodat niet alles via de smalle trappen moest worden gesleept.

Daarnaast kon het ook dienen als een soort controlepunt: de brugwachter kon via het luik contact houden met mensen beneden, of in sommige gevallen zelfs ongewenste bezoekers “vriendelijk” laten weten dat ze echt niet naar boven hoefden te komen.

Kort gezegd: een middeleeuwse combinatie van lift, postbode en “nee, opbokken hier”-systeem.

In het Muiderslot diende dit luik als vergeetkerker, ook wel een angstloch genoemd.

Een vergeetkerker (ook wel oubliette, letterlijk “vergeetplek”) was bedoeld om gevangenen letterlijk en figuurlijk te laten verdwijnen uit het zicht.

Het was meestal een diepe, smalle ruimte onder een kasteel of toren waar je via een luik in de vloer naartoe werd gelaten. Er was vaak nauwelijks licht, frisse lucht of bewegingsruimte. In veel gevallen was het idee simpel: iemand opsluiten en daarna vooral niet meer aan denken.

In sommige kastelen werd het gebruikt voor gevangenen die geen hoge prioriteit hadden (zoals gespuis, spionnen of mensen die de verkeerde deur hadden gekozen op het verkeerde moment). Soms ook als intimidatie: het bestaan van zo’n kerker alleen al was genoeg om mensen zich twee keer te laten bedenken.

Kort gezegd: de vergeetkerker was de middeleeuwse versie van “archiveren en nooit meer openen”, maar dan een stuk minder vriendelijk.

De keuken

De rookkanalen van de grote keukenschouw op de bel-etage en de ovens in de onderliggende bakkerij zaten netjes verwerkt in de brandmuur, een soort middeleeuwse poging tot “brandveilig bouwen”, lang voordat rookmelders bestonden.

Die muur is zelfs extra hoog doorgetrokken tot boven het dak, voor het geval het vuur ooit zou denken: “Leuk, ik ga even op het dak verder.”

Naast de rookkanalen zit links nog een ventilatieschacht. Die loopt dwars door het deurportaal van de keuken. Da’s handig, want frisse lucht is fijn, en rook in je soep wat minder tenzij erwten- of palingsoep.

Waarschijnlijk was die schacht in tijden van belegering ook multifunctioneel: niet alleen voor lucht, maar misschien ook als geheime transportbaan voor soldaten op de bovenliggende weergangen. Een soort middeleeuwse service-lift, maar dan zonder knopjes en jaarlijks terugkerende verplichte veiligheidskeuring.

En dan is er nog de waterput aan de binnenplaatszijde. Via een hijsschacht werd het water naar binnen gehaald, rechtstreeks naar bakkerij of keuken. Zo hoefde niemand met emmers te zeulen, behalve als de katrol een snipperdagje had.

Weergangen met kantélen

Stel je voor: je bent een middeleeuwse soldaat. Met een helm die nét iets te groot is, een zwaard dat je amper kunt optillen en schoenen waar je gegarandeerd blaren van krijgt. En waar moet jij je werk doen? Juist ja, op de weergang.

De weergang is eigenlijk de VIP-wandelroute boven op een kasteelmuur. Alleen dan zonder VIP-behandeling. Het tocht er altijd, het is smal (dus oppassen dat je niet per ongeluk naar beneden kiepert), en ondertussen vliegen er pijlen langs je oren alsof het een slechte dag op een middeleeuws festival is.

Maar héé, je staat wel strategisch opgesteld, hè! Je kunt stoer over de kantélen loeren en dramatisch roepen: “Ze komen eraan!”, ook al wist iedereen dat al lang. Ondertussen probeer je een steen naar beneden te gooien zonder eerst je eigen voet te raken. Multitasken, man! Je reinste multitasken!

En als het even rustig is? Dan wandel je daar een beetje heen en weer, alsof je een soort kasteelbalkon hebt. Met uitzicht! Alleen jammer dat het uitzicht meestal bestaat uit een boze vijandelijke legergroep die jou heel specifiek niet mag.

De weergang dus, dé plek waar je heldhaftig kunt zijn… of heel voorzichtig niet naar beneden kunt vallen. 

Sommige weergangen liepen expres dood en waren eigenlijk de middeleeuwse versie van een slecht doordacht doolhof. Aanvallers dachten slim het kasteel binnen te dringen, marcheerden vol zelfvertrouwen vooruit… en eindigden dan ineens bij een muur. Geen deur, geen uitgang, gewoon: “Oh.”

Dus draaiden ze zich maar weer om, licht geïrriteerd, terwijl ze probeerden te doen alsof dit allemaal deel van het plan was. Ondertussen stonden de bewakers rustig toe te kijken, waarschijnlijk met een broodje in de hand, denkend: “Geef ze nog even, ze komen zo vanzelf terug.”

En ja hoor, daar kwamen de aanvallers weer langs — voor de derde keer. Verdwaald, gefrustreerd en inmiddels een beetje aan het twijfelen aan hun carrièrekeuze. Waren ze maar treinconducteur geworden.

Die doodlopende weergangen zorgden er dus voor dat vijanden vooral heel goed werden in… rondjes lopen, terwijl de verdedigers alle tijd hadden om ze vriendelijk (maar vastberaden) op afstand te houden en ondertussen hun broodje pulled pork te versnaperen.

De heraut…

De middeleeuwse versie van een pushmelding maar dan met trompet en volume op standje maximaal. De wapenkoning, de baas van de logo’s maar dan op een wandkleed, van harnassen en een iets serieuzere dresscode.

De heraut was eigenlijk de middeleeuwse alleskunner met een grote mond en een nog grotere trompet.

Hij liep rond om luidkeels nieuws te verkondigen, zoals: “Luister allemaal! Er is oorlog!”, -alsof je dat niet al doorhad bij het zien van het leger voor de poort-. Ondertussen kende hij álle wapenschilden uit het hoofd, dus hij kon feilloos zeggen: “Ah ja, dat is ridder Boudewijn met de halve kip en vier strepen.” (De latere hoofdagent van politie).

Bij toernooien speelde hij ook nog scheidsrechter, presentator én commentator tegelijk. Die man was ook van álle middeleeuwse markten thuis, zeg! Een soort sportverslaggever, maar dan met paarden, zwaarden en iets meer kans op ongelukken.

De heraut dus als de officiële roeper, regelneef en wandelende Wikipedia van de middeleeuwen, maar dan met een dramatisch gevoel voor timing.

De wandtapijten met wapen in de wapenkamer

De poorttoren

Deze toren boven de poort was vroeger geen gezellig balkonnetje, maar pure verdediging. De mezekouwen van Muiderslot, -de drie werpgaten boven de brug-, zijn qua formaat zelfs uniek in Nederland. Ze zitten precies boven de ophaalbrug, zodat je als vijand meteen wist: hier moet je niet zijn!

Vanuit die gaten werden stenen en andere minder frisse verrassingen, -daar kun je je vast wel iets bij voorstellen-, naar beneden gegooid. Kortom: een middeleeuwse “welkomstmat” waar je liever niet op stond.

Bidden, Boeten en Belasting: Hemelpunten Sparen in de Middeleeuwen

Honderden gouden sterren tegen een strakblauwe lucht en nee, je hoeft er niet eens voor naar buiten. In deze kapel sta je gewoon binnen onder de sterrenhemel. De middeleeuwers dachten: hemel = van God, sterren = dus ook van God… dus hoe hoger je zit, hoe beter je bereik. En eerlijk is eerlijk: boven deze kapel zit niks meer, dus dichter bij God ging je het niet krijgen. Wat was het leven prachtig!

Vrijwel elk kasteel had z’n eigen kapel, de ultieme luxe van toen. Oorlog buiten? Geen probleem joh, gewoon binnendoor naar de mis. Stond de Vecht te hoog of beukte de Zuiderzee tegen de muren? Ook geen stress. Terwijl de rest van de wereld kopje onder ging, zat jij droog en netjes op de eerste rij bij God. En je hoefde ook niet zo vroeg uit je bed.

Woonde hier in de middeleeuwen een kapelaan? Grote kans. Deze priester had de belangrijke taak om de kapel, -vaak strategisch boven de poort geplaatst-, draaiende te houden.

En eerlijk: dat hij een haard én een toilet had, zegt genoeg. Zelfs in de kerkelijke middeleeuwen wist men al hoe je dichter bij God komt… want niets is zo fijn als een goede stoelgang, zeker wanneer hij het tentdoek al kust.

Hier ben je dicht bij God. Maar dan wel om een andere reden. Zeker wanneer die het tentdoek al kust..

De achtertuin van Amsterdam…

Het Kasteel van Amsterdam

Je kunt Muiderslot en Amsterdam eigenlijk niet los van elkaar zien. Graaf Floris V zet het kasteel hier niet voor niets neer: perfecte plek om zijn gebied in de gaten te houden én een beetje geld te verdienen.

Alle schippers die langsvaren? Betalen pannenkoek! Behalve die uit Amsterdam… die mochten dan weer wel gratis doorstomen, zo chauvinistisch waren ze dan weer wel, de eigenheimers. Handig geregeld, want zo groeide Amsterdam als kool.

En twee eeuwen later dacht de stad: “Weet je wat? We kopen dat kasteel gewoon zelf. Tol heffen is leuk, maar eigenaar zijn is nóg leuker!”

Een nieuwe bewoner…

In 1609 krijgt Muiderslot een wel heel bijzondere bewoner: de Amsterdamse dichter Pieter Corneliszoon Hooft.

Portret van P.C Hooft door Joachim von Sandrart

Hij verhuist hierheen voor zijn baan als bestuurder en rechter, maar pakt het meteen grondig aan. Het kasteel krijgt een make-over van binnen én buiten: meer woonhuis, minder “middeleeuwse bunker”, inclusief tuinen en zelfs een pruimenboomgaard.

Hooft verblijft hier vooral in de lente en zomer met zijn gezin. Eigenlijk overwintering in Benidorm, maar dan anders, zeg maar, maar dan zonder zwembad en sangria — gewoon pruimen en poëzie.

Tussen torens en kunst…

In het Muiderslot is in de torens veel kunst te bewonderen.

Kinderportret van Jacoba Bontemantel, Rijksmuseum Amsterdam, ca 1644

Kinderportret van Jacoba Bontemantel, een klein meisje met een indrukwekkender netwerk dan de gemiddelde influencer. Dochter van Frederik Bontemantel en Agatha Hasselaer, en via moederskant (zus van) ook nog eens gelinkt aan de familie van Hooft. Kortom, één stap verwijderd van het Muiderslot… best chic voor iemand die waarschijnlijk nog met Barbie’s speelde.

Portret van Godaert Kamper, ca 1641.

Feestjes waren in de 17e eeuw al een hit, vooral als je ze voor eeuwig kon laten vastleggen op doek.

Dit schilderij toont maar liefst 16 feestvierders, allemaal gehuld in stoffen zo chic dat je er spontaan van zou denken dat ze van Waalre of Wassenaar zijn afgereisd.

Volgens de titel is dit een ‘elegant gezelschap’, en eerlijk: dat zie je meteen aan hoe ze erbij staan, alsof ze net auditie doen voor de meest stijlvolle groep ooit. Wie ze precies zijn? Geen idee. Maar ze zien er in elk geval uit alsof ze dat zelf héél belangrijk vonden.

Boven de deur het Muiderslot.
Close up.

Cardio in de middeleeuwen

Vroeger hadden ridders geen sportschool nodig. Met al die trappen kregen ze vanzelf stalen benen, sterke longen en waarschijnlijk dagelijks spierpijn. Een lift was er niet, maar wel volop cardio.

De vele trappen van het Muiderslot vertellen vooral het verhaal van een tijd waarin men óf heel fit was, óf geen keuze had. De smalle, steile treden maakten het indringers lastig om snel boven te raken, -en eerlijk gezegd ook iedereen met haast, slechte knieën of een volle boodschappentas-. Ondertussen slingerden bewoners en wachters zich dagelijks soepel door het kasteel, alsof ze gratis fitnessabonnementen hadden. Elke trap in het slot herinnert aan eeuwen van waakzaamheid, hard werken en vermoedelijk ook veel gehijg binnen de muren van dit middeleeuwse bolwerk al zal dat vast niet alleen door het gesjouw en geklim te horen zijn geweest.

De Schimmel Suite

Akelig, donker en kil, in deze kerker sloten ze misdadigers op. Daar zat je dan, geboeid of vastgezet in een voetenbank, te wachten op de straf die de kasteelheer, -meteen rechter-, bepaalde. Bekende de verdachte zelf niet, dan was martelen heel gewoon. Bijvoorbeeld op een pijnbank of met duimschroeven. Succes gegarandeerd! Eén lichtpuntje, iemand lang opsluiten kostte toen ook al een vermogen dus vaak kwam je er daarna, net als tegenwoordig, met een geldboete, -en twee gemolesteerde duimen,- vana, en voilà, meteen weer geld in het laatje van de kasteelheer.

Vakantieman, gezellig hè…

De Floristoren…

De oudste en hoogste toren van het Muiderslot is vernoemd naar Floris V.

Floris V

Floris is in de Middeleeuwen een echte topnaam. En dat allemaal dankzij ene Florian, een officier uit Tirol met blijkbaar bovennatuurlijke emmer-skills. Volgens de verhalen bluste hij met één enkele emmer water een gigantische vlammenzee en redde zo een heel dorp. Hoe groot die emmer was, blijft een mysterie.

De emmer bij het beeld hierboven is intussen spoorloos verdwenen, -waarschijnlijk uitgeleend en nooit teruggebracht-. Maar aan zijn voeten zie je nog het kasteel waar hij zijn legendarische plens overheen kieperde. Wat een held… en wat een armspieren moet die man gehad hebben!

Zo’n 750 jaar geleden liet Floris dit kasteel bouwen. Best indrukwekkend, zeker als je weet dat hij graaf van Holland werd toen hij amper 2 jaar oud was. De meeste peuters gooien op die leeftijd met blokken, Floris kreeg gewoon een graafschap.

Omdat een peuter nog niet helemaal klaar is voor staatszaken, werd zijn tante Aleid van Avesnes als interim aangesteld. Niet zomaar een tante, die Aleid. Dat was een slimme, krachtige vrouw met meer politieke invloed dan menig ridder met een glimmend zwaard. Zij voedde Floris op, leerde hem hoe je een land bestuurt én hield alvast een lijstje bij van mensen op wie nog wraak genomen moest worden zoals bijvoorbeeld op de moordenaar van zijn ouwe.

Later werd Floris razend populair, vooral bij boeren en burgers. Hij gaf hen meer rechten en zorgde voor betere dijken en wegen. Dankzij hem bleef het land droger en geraakten de handelaren eindelijk eens op tijd op hun bestemming.

Kortom: Floris was niet alleen een graaf, maar ook een middeleeuwse BN’r, een publiekslieveling met ‘wegenwerken’ als hobby.

De nok van de westertoren

Het hoogste punt van het kasteel. In 1363 vonden ze blijkbaar dat het nóg wat hoger mocht.

Het dak rust op een slimme constructie waarbij houten balken de toren bijeenhouden als de spaken van een gigantisch wiel. Elke balk werd met de hand gezaagd en geschaafd, waardoor geen enkele hetzelfde is. Middeleeuws maatwerk!

Om niet compleet in de war te raken bij het bouwen, kerfden ze telmarkeringen in het hout. Die zijn vandaag nog steeds zichtbaar: de originele gebruiksaanwijzing van het kasteel! Schroeven, bouten, moeren en nippels niet inbegrepen.

19e eeuwse dakconstructie naar goed middeleeuws voorbeeld.

Zie je de zolder hierboven? Dit is een goed voorbeeld van een middeleeuwse dakconstructie. Deze hierboven is in de 19e eeuw gebouwd naar goed middeleeuws voorbeeld.

Potten en vaten met groenten en fruit werden in de winter in de middeleeuwen meestal opgeslagen in de kelder. Maar niet in het Muiderslot. Het gevaar van een overstroming was in die tijd met al het water rondom het kasteel te groot. Daarom lag het hoog en droog in de torenkamer.

Klaar voor Kabaal…

De wapenkamer

Stond de vijand voor de deur? Dan moesten ridders hun zwaarden, schilden, hellebaarden en harnassen snel kunnen pakken.

De wapenkamer.

Bijzonder is het complete ruiterharnas uit de 16e eeuw. Ridders lieten een harnas graag op maat maken en als ze het konden betalen, liefst ook voor hun paard.

En de vrouwen? Die bewaakten het kasteel als de ridders op pad waren. Maar dat niet alleen. Ook in die tijd regelden de vrouwen van alles, van beveiliging van het kasteel en de omgeving tot de bevoorrading. Ook zorgden ze ervoor dat hún buurtbewoners en hun dieren bij oorlogsdreiging een veilige plek hadden binnen het kasteel.

Bron: dreamstime.com

Ridders zijn goed opgeleide soldaten van adel uit de middeleeuwen. Om niet overhoop gestoken te worden droegen ze een metalen harnas.

Maliënkolder

Een maliënkolder is een vest van wel duizenden in elkaar gevlochten metalen ringetjes. Een soort van ijzeren breiwerk. Die moest de drager beschermen tegen scherpe wapens zoals zwaarden en speren. Ridders droegen het vaak onder hun harnas maar ook zonder harnas want een harnas is retezwaar en zo’n breiwerkje een stuk lichter met zo’n 50 kg tegenover 6 kg.

Hellebaarden

Een hellebaard is een lange stok met een bijl aan het uiteinde. Door de lengte kon je er veel kracht mee zetten, veel meer dan met een zwaard. En had je een ridder te paard tegenover je? Dan kwam zo’n hellebaard je goed van pas. Maar handig is zo’n ding niet in alle gevallen. Jezelf verdedigen met zo’n log wapen is toch best lastig.

De hellebaard.

Schilden

Een schild beschermde niet alleen maar zorgde ook voor herkenning op het slagveld.

Ridders schilderden herkenbare tekens op hun schild. Kleuren en symbolen met betekenis.

Het schild van Floris V was bijvoorbeeld geel voor wijsheid met een rode leeuw met een blauwe tong, een symbool voor moed en eerlijkheid.

Wijsheid, moed en eerlijkheid! 💪🏽⚔️🗡️

Steekspel met stijl; de toernooilans


Prent uit de Renaissancetijd die het steekspel weergeeft (Paulus Hector Mair, de arte athletica, ca. 1540)

In de middeleeuwen toonden ridders hun moed in toernooien. Het spannendste deel? Het steekspel. twee ridders te paard rennen op elkaar af met een lans zoals hierboven afgebeeld. Wie de ander van zijn paard wist te stoten, won het toernooi. En dat was niet altijd zonder gevaar. Soms eindigde het met de dood. Zelfs in 1999 vond een ridder in het recreatiepark Het Land van Ooit nog de dood tijdens een toernooi dat daar werd nagespeeld.

Papa’s Zwaard, Mini’s Trots…

De beulszwaard

De beulszwaard.

Te herkennen aan de stompe, ronde punt. Waarom? Simpel: dit was geen prikwapen, maar eerder bedoeld om iemand, tsjakkaaaa, een kopje kleiner te maken. Een onthoofding gebeurde overigens niet bij iedereen maar werd gegund aan mensen met meer aanzien omdat de lijdensweg aanzienlijk korter mocht zijn dan die van de paupers.

Weetje: Beulen droegen vaak een masker. De identiteit van een beul bleef vaak geheim voor het publiek én voor wie een zeer slechte dag tegemoet ging. Een stalen masker zoals dit zorgde voor anonimiteit. Men vermoedt dat dit vooral was om boze familieleden van geëxecuteerden ervan te weerhouden achteraf verhaal te komen halen.

Jong geleerd is oud gedaan

Het kinderzwaard is een heel stuk kleiner. Het was een oefenzwaard voor kinderen van adel die werden opgeleid tot ridder. Ook in de middeleeuwen zat de week van een kind al volgepropt met activiteiten. Zoals tegenwoordig de dagen van de week van kinderen volgepropt zijn met de dromen en wensen van pa en moe, –dinsdag hockeytraining, woensdag pianoles, donderdag bijles…-, zo had de kleuter in de zestiende eeuw ook zijn dagen goed gevuld. De opleiding tot ridder begon zelfs al op het vijfde levensjaar. Er viel veel te leren; zwemmen, paardrijden, zwaardvechten…

Zwaardvechtles op vrijdag voor de vijfjarige…

De bascinet

De bascinet.

De bascinet was een middeleeuwse helm uit Europa en begon zijn carrière als een opgewaardeerde rondvormige helm. Al snel kreeg hij een puntige top, blijkbaar was zelfs de ridder toen al modebewust. Hij liep door tot in de nek om ook dat kwetsbare stukje mens te beschermen. Vaak hing er onderaan nog een maliënkoldertje voor schouders en hals, alsof de helm een metalen sjaal droeg. Rond 1330 kwam daar vaak een vizier bij, zodat ook het gezicht eindelijk niet langer open huis speelde. Vanaf de vijftiende eeuw werd het maliënstuk vervangen door een ringkraag van metalen platen, en zo ontstond de “grote bascinet”: zwaarder, steviger en nog minder handig om erbij de kunnen als je neus jeukte.

Het kotsend korset

Het kotsend korset van kunstenares Yvonne Oerlemans.

Een harnas? Vergeet het maar. Dit kunstwerk van Yvonne Oerlemans ziet eruit alsof je er een draak mee kunt verslaan, maar in werkelijkheid versla je er hoogstens je eigen rug mee. Bescherming biedt het niet. Het knelt, klemt en belemmert elke beweging alsof het speciaal ontworpen is door iemand met een hekel aan comfort. Rennen lukt niet, zitten nauwelijks en elegant zwaaien al helemaal niet.

En precies dát is de bedoeling. Het werk stelt vragen over vrijheid, opgelegde rollen en ongelijkheid in de samenleving. Volgens de kunstenares toont het de draagbare én ondraaglijke kanten van het leven vandaag. Kortom: soms voelt het dagelijks leven ook gewoon als rondlopen in een veel te strak metalen pak.

De jachttoren…

Jagen was dé hobby van Floris V. Strenge regels bepaalden welke edelman met welke vogel op welke prooi mocht jagen.

De hoge adel gebruikte slechtvalken, de lagere adel moest het doen met een buizerd of een torenvalk. Ook edelvrouwen deden mee en jaagden te paard met een valk.

Floris V tijdens de valkerij.

Centrale Verwarming met allure

Wandkleden in de Middeleeuwen

Middeleeuwse wandtapijten (11e-15e eeuw) waren eigenlijk de luxe versie van centrale verwarming én Instagram in één. Deze peperdure kunstwerken hingen in koude stenen kastelen om tocht en vocht buiten te houden, terwijl ze tegelijk subtiel schreeuwden: kijk eens hoe rijk ik ben. Ze stonden vol ingewikkelde taferelen, geweven uit wol en zijde, en de absolute toppers kwamen uit de Zuidelijke Nederlanden, zeg maar de designhoofdstad van toen.

Overdekte weergang

Het dak van het Muiderslot is zo steil dat regen, sneeuw en hagel er sneller vanaf glijden dan bezoekers na sluitingstijd. Slim bedacht, want zo krijgt lekkage nauwelijks de kans om binnen te dringen.

De ruimte onder het dak werkte destijds meteen ook als een middeleeuwse klimaatregeling: in de winter bleef de warmte binnen en in de zomer de hitte buiten. Een soort van airco, maar dan zonder afstandsbediening en met iets meer spinnenwebben.

En die ronde houten balken? Die zijn expres zo gemaakt, zodat niemand zich er een hersenschudding aan stootte na een stevig kasteelfeestje. Voor deze ‘krommers’ werden jonge eikenboompjes met touwen kromgetrokken. Zelfs de jeugd onder de bomen moesten hier netjes in de bocht blijven.

Middeleeuws ventilatiesysteem

Dit deurtje hierboven diende als middeleeuws ventilatiesysteem. Hierachter loopt de schoorsteen vanuit de keuken.

Uitschuifbare balken

Met deze uitschuifbare balken kon je in no-time een extra steiger bouwen voor nog meer schutters. Werd het kasteel aangevallen, dan schoof je gewoon wat extra personeel naar buiten. Een soort middeleeuwse uitbreiding: meer ruimte, meer boogschutters, zelfde huurprijs.

Do not open!

Waarom zat hier een deur? Als je hem openmaakte kukelde je zo naar beneden! Die deur diende om spullen naar boven te hijsen.

Koninklijk Dutten met Tocht

De Prinsenkamer: VIP in de Middeleeuwen

Hierboven en onder is met de kroonluchter en het grote bed de gastenkamer te zien. Niemand minder dan Prins Maurits heeft hier gelogeerd. Vandaar de naam De Prinsenkamer.

Als kasteelheer is Hooft verantwoordelijk voor de rechtspraak en de openbare orde in de omgeving. Hier verwijzen de gouden letters boven de schouw naar. ‘Omnibus Idem’; voor allen hetzelfde, Of je nu arm of rijk was, iedereen kreeg dezelfde behandeling als het aan Hooft lag. Net zoals de zon in het midden voor iedereen hetzelfde schijnt. Daar kan de zelfbenoemde “elite” van tegenwoordig nog een puntje aan zuigen.

‘Omnibus Idem’ en zo is het!

Vroeger was de open haard het kloppende, knisperende en vooral warmgevende hart van het huis. Logisch dus dat je er in een kasteel niet eentje, maar meteen een hele collectie tegenkomt.

Maar zelfs warmte blijft niet stilstaan in de tijd. Deze 17e-eeuwse kachel is daar het perfecte bewijs van: een soort “ouderwetse radiator voor z’n tijd”, maar dan met iets meer rook en iets minder thermostaat.

Pas in de 19e eeuw werden kachels écht de nieuwe hype in huisverwarming. Alleen… in het Muiderslot hadden ze blijkbaar al eerder door dat koude tenen geen middeleeuwse levensstijl hoeven te zijn.

De beddenkoets

De beddenkoets

Een bed dat een koets heet? Klinkt alsof je ’s avonds met paarden richting Klaas Vaak rijdt. Toch is het minder gek dan het lijkt, want het woord koets komt van het Franse coucher, wat gewoon “slapen” betekent. Chic dutje dus.

In de 17e eeuw was de beddenkoets het duurste meubelstuk in huis. Niet zomaar een bed om in te snurken, maar een echt pronkstuk. Het houten frame werd versierd met dure stukjes hout die netjes ingelegd waren. Alsof dat nog niet genoeg was, werden er ook rechthoeken en ruiten in het hout gestoken en gladgeschaafd. Kortom: slapen deed je toen in pure luxe — bijna zonde om je ogen dicht te doen.

Mama, monsters onder mijn strozak!

Toen al hetzelfde gezeur: ik wil bij jullie slapen!

In de middeleeuwen was een kinderbedje pure luxe. Meestal sliep het hele gezin gewoon gezellig bij elkaar in één bed.

Kinderbedje

Dit wiegje is rijkelijk versierd met afbeeldingen die verwezen naar de tijd van de Verenigde Oost-Indische Compagnie.

De V.O.C. bracht toen een hoop rijkdom mee. Iedereen deed alsof het goud vanzelf uit de lucht viel, maar tegenwoordig weten we gelukkig wel beter: achter die volle schatkisten zaten helaas ook geweld, dwang en slavernij. Kortom: een glanzend verhaal met een behoorlijk roestige achterkant.

Tweelingneefjes van Hooft, olieverf op paneel, Rijksmuseum Amsterdam, 1612-1622

Hierboven zie je twee neefjes van Hooft, een te vroeg geboren tweeling. Het rechter kindje is erg bleek en overlijdt kort na de geboorte. Zijn broertje volgt niet lang daarna. Beide baby’s zijn ingebakerd: strak in doeken gewikkeld, precies zoals dat in die tijd de gewoonte was.

Hierboven staat Lodewijk van Nassau Beverweerd, zoon van Prins Maurits en Margaretha van Mechelen. Om zijn hals draagt hij een gouden ketting met het portret van zijn pa. Rechtsboven staat in het Latijn dat het knulletje 18 maanden oud is. Op zijn hand zit een distelvink, in het andere houdt hij een takje met kersen, beide als symbool voor nieuw leven.

Tulpen, rozen, anjers, distels, korenaren, vergeet-me-nietjes en klaprozen: dit boeket heeft duidelijk besloten geen enkele bloem over te slaan. Het schilderij is dan ook eerder een botanische chaos dan een bescheiden vaasje op tafel.

Alles staat netjes in een glazen vaas, al lijkt “netjes” hier relatief. Om het extra echt te laten lijken, heeft de schilder zelfs de weerspiegeling van de ramen in het glas gezet—alsof hij dacht: als ik toch bezig ben, dan ook meteen de ramen erbij.

En alsof dat nog niet genoeg leven is, zoemt en kruipt er ook van alles rond het boeket: vlinders, een sprinkhaan, een mot en een paar vliegjes die duidelijk niet op de gastenlijst stonden, maar toch zijn binnengeslopen.

Ottmar Elliger I, olieverf op doek, 1673, Rijksmuseum Amsterdam

Bloemen van het Muiderslot…

De lieve Lent

Deze foto is in opdracht van het Muiderslot gemaakt door fotograaf Bas Meeuws. Een jaar lang trok hij door de kasteeltuinen om met zijn camera bloemen te verzamelen.

Daarna zette hij alles digitaal in elkaar tot één indrukwekkend boeket, het soort waar je als kunstvaas op zich spontaan gaat twijfelen aan je eigen bestaan.

Maar goed kijken loont: dit is geen rustig boeketje voor op tafel. Tussen de blaadjes en bloemen krioelt het namelijk van de insecten.

En voor de echte speurneuzen: wie het juiste aantal miertjes kan tellen, heeft een voetreis naar Rome gewonnen.

(Spoileralert: Volgens Meeuws zitten er precies 409 miertjes verstopt. Niet 408, niet 410. Gewoon 409. Alvast succes met tellen! Je hebt er waarschijnlijk net zo lang voor nodig als hij voor het hele kunstwerk.)

Drie bloemen voor de toren

Het Madeliefje, de Kievitsbloem en de Boterbloem

De kunstenares Stiene Berg Evensen laat zich inspireren door de wilde planten die spontaan opduiken in openbare ruimten. Met grote precisie en geduld worden de bloemen op aquarel zorgvuldig tot leven gebracht. De bloemen hierboven groeien in de kasteeltuinen.

De ridderzaal

De ridderzaal is eeuwenoud het hart van het kasteel. Wie van een feestje hield was hier op de juiste plek. Hier ontving Hooft in stijl zijn belangrijkste gasten voor feestelijke diners aan prachtig gedekte tafels. Ook literaire en muzikale avondjes vonden hier plaats.

Toch was het hier niet altijd feest. De zaal werd ook gebruikt als rechtbank, met de kasteelheer als rechter.

Op het Middeleeuws menu…

Alles wat niet snel genoeg weg kon lopen

Haute cuisine in de middeleeuwen.

In de middeleeuwen was koken vooral een kwestie van wat er toevallig beschikbaar was, en een beetje geluk mocht je ook wel meenemen. Recepten bestonden niet echt zoals wij ze kennen; je had eerder “gooi wat graan, vlees en kruiden in een pot en hoop op het beste”. Hoe lang iets moest koken? Dat hing af van de zonstand, de stemming van de kok en of er toevallig een kip in de buurt was die zich niet had verstopt.

Brood was een basisvoedsel, maar vaak zo stevig dat je er net zo goed een hamer bij kon gebruiken. Vlees was een luxe en werd vaak flink gekruid — niet alleen voor de smaak, maar misschien ook om te verbergen dat het al een tijdje meereisde door de tijd. Toch werd er volop gegeten, vooral aan grote tafels waar iedereen met de handen at en niemand zich druk maakte om etiquette zoals wij die kennen.

Het eten was simpel, stevig en eerlijk: wat er op tafel kwam, kwam rechtstreeks uit veld, stal of bos. En als het soms wat mysterieus smaakte? Dan hoorde dat er gewoon bij.

Het bezoek aan het Muiderslot was als een kleine stap terug in de tijd. Tussen de dikke muren, torens en oude zalen werd het ineens heel makkelijk om je voor te stellen hoe het leven hier ooit moet zijn geweest. Niet alles was comfortabel, maar het kasteel straalt nog steeds iets krachtigs en sprookjesachtigs uit.

Met een hoofd vol indrukken en een camera vol foto’s weer terug naar de huidige eeuw. Eén ding is zeker: het Muiderslot is geen gewone plek om te bezoeken, maar een plek die je even meeneemt naar een andere wereld.